Hoe werken de darmen?
De darm is een belangrijk onderdeel van het spijsverteringsstelsel. De darm bestaat uit twee onderdelen, de dunnedarm en de dikkedarm (inclusief de endeldarm). Het voedsel komt via mond, slokdarm en maag eerst in de dunnedarm terecht. De voedingsstoffen komen daar vrij en worden door de dunnedarm opgenomen. 

Dunne darm
De wand van de dunne darm bestaat, van buiten naar binnen gezien, uit drie lagen:
  1. een dubbele spierlaag,
  2. een bindweefsellaag en
  3. een slijmvlieslaag.

Het slijmvlies van de dunne darm is sterk geplooid. Deze plooien hebben zeer veel vingervormige uitsteekseltjes: de vlokken. De vlokken zijn met het blote oog net zichtbaar en zijn ongeveer een milimeter lang. Door de slijmvliesplooien en de vlokken is het oppervlak van de dunne darm sterk vergroot. Het totale oppervlak is ongeveer zo groot als twee tennisvelden (150-200m²). Tussen de plooien en de vlokken liggen kleine klierbuisjes, die darmsap produceren.
Wanneer er voedsel in de dunne darm zit, zorgen kleine stuwingen van de dunne darm ervoor dat het voedsel goed gemengd wordt met darmsappen. De dunne darm schuift  het voedsel heen en weer, kneedt het goed en stuwt het heel langzaam in de richting van de dikke darm. Het voedsel blijft lange tijd in de dunne darm. Hierdoor is er voldoende tijd om alle voedingsstoffen op te nemen en aan het bloed af te geven. 

Dikke darm
Als alle voedingsstoffen zijn opgenomen, worden de onverteerbare resten doorgeschoven naar de dikkedarm. Enkele keren per dag zorgen krachtige stuwingen  ervoor dat de onverteerbare resten naar het laatste deel van de darm, de endeldarm, verplaatst wordt. U krijgt dan het bekende gevoel van ‘aandrang’, het signaal om naar het toilet te gaan. Daar voert de endeldarm via de anus deze resten als ontlasting af.