Technische aspecten

In Nederland worden alleen postmortale donoren gebruikt. Gezien het lage aantal potentiële ontvangers is het niet nodig een levende donor bloot te stellen aan de risico’s van een partiële dunnedarmresectie. Bovendien zijn de uitkomsten van DDTx van levende of postmortale donoren gelijk. Ongeveer 60% van de darmtransplantaties zijn geïsoleerde dunnedarmtransplanties. Vaak is echter een meervoudige transplantatie nodig. Bij IFALD of andere leverziekten kan een gecombineerde Lever-Darmtransplantatie plaatsvinden. Dit kan als een cluster met het pancreas (of een deel daarvan) als brug tussen dunnedarm en lever. Soms is een (pre-emptieve) niertransplantatie nodig bij chronische nierinsufficiëntie. Bij een kreatinineklaring beneden de 40 ml/min moet een niertransplantatie worden overwogen vanwege de noodzaak voor hoge spiegels tacrolimus na DDTx en een sterk verhoogd risico op nefrotoxiciteit op basis van tacrolimus. Ook de maag kan in uitzonderlijke gevallen meegetransplanteerd worden. Lever-Maag-Darmtransplantatie wordt een multivisceral transplant (MVT) genoemd, Maag-Darm zonder Lever wordt een modified MVT genoemd. Het rechter hemicolon wordt meestal niet meegetransplanteerd bij volwassenen, bij kinderen wordt dit in toenemende mate wel gedaan vooral bij absorptiestoornissen als Microvillous Inclusion Disease. In dergelijke situaties is er minder diarree na transplantatie. Een geïsoleerde dunnedarmtransplantatie wordt meestal met een systemische drainage op de vena cava aangesloten. De arteria mesenterica superior wordt op de infrarenale aorta aangesloten. De proximale darmanastomose tussen eerste jejunumlis van de ontvanger en de eerste jejunumlis van de donor. Het is belangrijk dat de eerste jejujunlis van de ontvanger lang genoeg is zodat bij rejectie en transplantectomie een jejunostoma kan worden aangelegd. De distale anastomose wordt tussen het terminale ileum van de donor en het resterende colon (indien aanwezig) gelgede met een zgn. Bishop-Koop ileostoma. (zie figuur NTVG 2005) Bij een Lever-Darmtransplantatie wordt een Piggyback-techniek gebruikt voor veneuze drainage. De arteriële anastomose wordt meestal via een supratruncaal aortaconduit gelegd. De darmanastomosen zijn gelijk aan die van een geïsoleerde DDTx. (zie figuur NTVG 2005) 
 

Figuur 1 Dijkstra et al NTVG 2005 
Belangrijk! 

Om bovengenoemde reconstructies mogelijk te maken is een voldoende lengte van de eerste jejunumlis voor een jejunostoma van groot belang. Bij een spoedenterectomie (bijv. bij arteria mesenterica trombose) moet de eerste jejunumlis in situ gelaten worden. Verder is het belangrijk om een vena cava inferior trombose te voorkomen om veneuze aansluitmogelijkheden te behouden. Lijnen in de vena iliaca hebben om deze reden niet de voorkeur. Ook plaatsing van stents of andere devices in de vena cava inferior of de vena iliaca moeten worden ontraden. 

Resultaten darmtransplantatie 

De 3 jaars transplantaat- en patientoverleving staan vermeld in figuur 3 en 4. 
 

 


Figuur 3: 3-jaars Transplantaatoverleving (bron: ITR www.intestinaltransplant.org) 
 

Figuur 4: 3-jaars Patiëntoverleving (bron ITR www.intestinaltransplant.org) 

De resultaten van DDTx blijven iets achter in vergelijk met ander solide orgaantransplantatie. De belangrijkste oorzaak hiervan is afstoting. Hierdoor is relatief zware immuunspuppressie nodig met als gevolg infectieuze complicaties. De resultaten van DDTx in het UMCG zijn gelijk aan de resultaten in de literatuur. Van de 11 getransplanteerde patiënten zijn er 7 in leven (3 patiënten overleden met een functionerend transplantaat), 2 patiënten verloren hun darm als gevolg van rejectie en zijn weer aan de TPV. Bij een geslaagde DDTx wordt de kwaliteit van leven als zeer goed ervaren. Kinderen die nooit hebben leren eten hebben veel tijd nodig om dit te leren. Volwassenen kunnen meestal binnen een maand na transplantatie normaal eten. Na transplantatie zijn er nog diverse re-interventies nodig zoals stoma opheffen, verwijdering van de centrale lijn en buikwandingrepen. De revalidatie na DDTx is ongeveer 6 maanden tot een jaar. In het eerste jaar na transplantatie worden patiënten vaak heropgenomen vanwege diarree, nierfunctiestoornissen en stomagerelateerde pathologie.